skip to Main Content

Het wezenlijk belang van de ‘juridische fuik’ van de overheid

Onlangs publiceerde Nieuwsuur op de website van de NOS een artikel over een ‘juridische fuik’ van de overheid. In dit artikel werd kritiek geuit op de wettelijke bezwaartermijn van zes weken. Burgers die buiten deze termijn nog bezwaar willen maken tegen een besluit, worden vaak niet ontvankelijk verklaard door de betreffende overheid. Ook in beroep gaan bij de rechter levert in de meeste gevallen niets op. Oneerlijk, vindt de advocaat die in het artikel aan het woord komt. Ronald de Waard denkt daar anders over.

In het artikel worden, wat mij betreft, appels met peren vergeleken. In 1994 trad de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in werking, met onder meer de uniformering van het bezwaar- en beroepstraject als doel. De Awb geeft belanghebbenden de mogelijkheid om in bezwaar te gaan tegen een besluit, mits dit binnen zes weken gebeurt.

Wanneer een ingediend bezwaar wordt afgewezen, kun je in beroep gaan, en daarna hoger beroep. Waar burgers hier zes weken de tijd voor hebben, kan de overheid er bijvoorbeeld een jaar over doen om een besluit te nemen. Dat lijkt oneerlijk, maar dit zijn twee totaal verschillende dingen. Bij het nemen van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige informatie omtrent relevante feiten en af te wegen belangen. Daartoe verplicht diezelfde Awb. Die zorgvuldigheid leidt ertoe dat dit lang – inderdaad soms veel te lang – kan duren.

Maar stel je nu eens voor dat je een stuk grond hebt gekocht, waarop je een huis wilt bouwen. Je krijgt de vergunning, en wanneer niemand binnen zes weken bezwaar heeft aangetekend, kun je aan het werk. Dit is het principe van de formele rechtskracht: ook als een besluit juridisch onvoldragen is, treedt het in werking als niet binnen zes weken na het bekendmaken van het besluit bezwaar of beroep wordt ingesteld. Dit principe is wezenlijk om ontwikkelingen in de samenleving mogelijk te maken en vertrouwen te behouden in de beslissingen van het openbaar bestuur.

Wanneer we de wettelijke termijn van zes weken afschaffen, zou dat betekenen dat de buren ook na de start van de bouw nog bezwaar mogen maken. Als er dan te lichtvaardig zou worden omgegaan met het vernietigen van een vergunning, zou de hele samenleving krakend vastlopen.

Natuurlijk gelden daarbij een vracht zorgvuldigheidsvereisten. Zorgvuldigheid aan de voorkant, goede communicatie en de belanghebbenden moeten worden gewezen op hun rechtsmiddelen. Uiteraard is het toewijzen van een uitkering iets anders dan een omgevingsvergunning voor het bouwen, maar een van de meer positieve punten van de komst van de Awb was nu juist de uniformering van het bezwaar- en beroepstraject. Als we daar nu weer aan gaan punniken, neemt de verwarring alleen maar weer toe.

Dat advocaten hiervoor pleiten is niet onlogisch, maar de formele rechtskracht is een principe dat het waard is om in stand te houden. Immers, aan de andere kant van een besluit zitten – zeker in het geval van een ruimtelijke ontwikkeling – ook mensen die recht hebben op helderheid en duidelijkheid. Je hebt zes weken de tijd om je ding te doen en bezwaar te maken. Natuurlijk duurt besluitvorming soms te lang, maar dat heeft met dit verhaal niets te maken. Het zijn twee verschillende dingen.

Bovendien worden voor alle belastende beschikkingen, zoals een handhavingsbesluit over een illegaal bouwwerk of het weigeren van een uitkering, alle mensen die het aangaat gehoord vóór er een besluit wordt genomen. Wanneer dit niet gebeurt, wordt het besluit door de rechter vernietigd. Als je tot in lengte van jaren tegen een besluit in het geweer kan komen, is dat funest voor het functioneren van de samenleving. We moeten erop kunnen vertrouwen dat de overheid deugdelijke besluiten neemt, en gelukkig gebeurt dat in de meeste gevallen ook.

Back To Top